De moderne woonkamer is in de eerste plaats architectuur, en pas daarna decoratie. De ruimte zelf — haar verhoudingen, haar materialen, haar licht — doet het zware werk. Een vloer van gepolijst beton loopt ononderbroken van muur tot muur, een schoorsteenmantel van gezoet steen verankert één wand, en vloerhoge ramen lossen de grens tussen binnen en buiten op. Meubels worden spaarzaam geplaatst binnen dit kader, elk stuk even zorgvuldig gekozen om zijn vorm als om zijn functie.
De bank is het sociale instrument van de kamer: een laag, royaal zitmeubel dat uitnodigt tot samenzijn zonder formaliteit op te leggen. Het staat gericht op een sculpturale salontafel in plaats van een televisie, met prioriteit voor gesprek. Wanneer de tv verschijnt, is hij vlak tegen een donkere muur gemonteerd of verborgen in een mediakast — aanwezig wanneer gewenst, onzichtbaar wanneer niet.
Terughoudendheid bepaalt het karakter van de kamer. Één kunstwerk, niet tien. Één sfeerbepalend materiaal, geen staalkaart van oppervlakken. De plank blijft bewust half leeg. Deze discipline vraagt om zelfvertrouwen — de bereidheid om een muur kaal te laten, om één mooi object een hoek te laten beheersen, en erop te vertrouwen dat een ruimte het hardst spreekt wanneer ze niet schreeuwt.























